Nieuws
Al het nieuws van rechtspraak.nl bij de hand!

Nieuws

Hieronder ziet u het nieuws uit de regio 's-Gravenhage
(Bron: www.rechtspraak.nl)

  • Mondkapjesplicht wordt niet per direct opgeheven

    De rechter heeft vandaag vonnis gewezen in een zaak tussen de Stichting Bewust Nederland en de Staat. Bewust Nederland eiste in kort geding de onmiddellijke beëindiging van de mondkapjesplicht in publieke binnenruimtes. Daarin gaat de rechter niet mee.

    Beleidsvrijheid

    De Staat heeft volgens de rechter een grote mate van beleidsvrijheid bij de keus voor coronamaatregelen. De Staat mag zich daarbij laten adviseren door deskundigen, waaronder het OMT en de WHO.

    Wetenschappelijk bestaat er nog steeds geen consensus over nut en noodzaak van mondkapjes. Dat betekent echter niet dat het huidige verplichte gebruik in publieke binnenruimtes niet te rechtvaardigen is.

    De adviezen waar de Staat over beschikt geven voldoende aanleiding voor de visie dat mondkapjes mogelijk een positieve bijdrage kunnen leveren aan de bestrijding van het corona-virus.

    Juist nu op grote schaal wordt versoepeld is het niet onbegrijpelijk dat de Staat de basismaatregelen, waaronder de mondkapjesplicht, niet direct wil loslaten.

    De Staat volgt daarbij zijn beleid zoals is opgenomen in het Openingsplan.  

    Het is aan de Staat om de ontwikkelingen te blijven volgen en zo mogelijk verder af te schalen.

  • Russische staatsonderneming FKP rechthebbende op de wodkamerken STOLICHNAYA en MOSKOVSKAYA in zes Europese landen

    De rechtbank Den Haag heeft in een procedure tussen de Russische staatsonderneming FKP en de huidige merkhouder Spirits eindvonnis gewezen in een zaak die gaat over de vraag wie rechthebbende is op nationale merkregistraties van de wodkamerken STOLICHNAYA en MOSKOVSKAYA in dertien landen en de geldigheid van twee Beneluxmerken voor het wodkamerk SPI.

    De merken

    De procedure gaat over in totaal 25 nationale woord- en beeldmerken voor STOLICHNAYA en MOSKOVSKAYA in dertien landen: Italië, Zwitserland, Frankrijk, Noorwegen, Denemarken, Zweden, Spanje, Portugal, Tsjechië, Polen, het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Cyprus. Daarnaast gaat de procedure over het Benelux woordmerk en het Benelux beeldmerk SPI die beide door Spirits zijn geregistreerd.

    ​​Het oordeel van de rechtbank

    De rechtbank oordeelt dat FKP rechthebbende is op de merken STOLICHNAYA en MOSKOVSKAYA in zes van de dertien landen: het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Cyprus, Zweden, Italië en Tsjechië. Spirits mag de merken niet meer gebruiken in die landen. Voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Cyprus, Zweden en Tsjechië worden de inbreukvorderingen van FKP toegewezen. In Italië is de situatie anders dan in voornoemde landen, omdat Spirits daar wodka verhandelt onder tekens die geen inbreuk maken op de Italiaanse merken waarvan de rechtbank heeft bepaald dat FKP daarop rechthebbende is. In de overige zeven landen (Zwitserland, Frankrijk, Noorwegen, Denemarken, Spanje, Portugal  en Polen), blijven de merken op naam van Spirits geregistreerd. De SPI-Beneluxmerken worden nietig verklaard.

    Achtergrond

    Voor de val van de Sovjet Unie werden de wodkamerken STOLICHNAYA, MOSKOVSKAYA en SPI geëxploiteerd door de toenmalige staatsonderneming VVO. De merken stonden op naam van VVO geregistreerd. Lange tijd werd in brede kring aangenomen dat VVO in 1991/1992 was getransformeerd van staatsonderneming naar de private onderneming VAO. Ook de Russische Federatie heeft in de jaren '90 van de vorige eeuw uitgedragen dat VAO als getransformeerde private onderneming de rechthebbende op de merken was. Uiteindelijk heeft Spirits de merken gekocht. Zij is nu geregistreerd als merkhouder.

    Eind 1999 heeft de Russische Federatie zich op het standpunt gesteld dat VVO nog altijd de rechthebbende op de wodkamerken was. De rechtbank heeft in 2017 geoordeeld dat VVO in 1991/1992 niet op rechtsgeldige wijze is getransformeerd, zodat de merken niet van rechtswege zijn overgegaan van VVO naar VAO. De rechtbank heeft nu aan de hand van de gebeurtenissen in de periode na 1991/1992 bepaald of de opvolger van VVO die rechten nog kan opeisen. Dit heeft de rechtbank per land beslist, op basis van het nationale recht van ieder van de dertien landen. De grondslagen voor de vorderingen van FKP verschillen per land, net als de verweren die Spirits inroept. Dit verklaart de verschillende uitkomst voor de dertien landen.

  • Russian state-owned company FKP proprietor of vodka brands STOLICHNAYA and MOSKOVSKAYA in six European countries

    The Hague District Court has given a final judgment in a lawsuit between Russian state-owned company FKP and current trademark owner Spirits. The case concerns a dispute about which party is the rightful owner of the national trademark registrations for the vodka brands STOLICHNAYA and MOSKOVSKAYA in thirteen countries, and the validity of two Benelux brands of the SPI vodka brand.

    The brands

    The lawsuit concerns a total of 25 national word and figurative marks for STOLICHNAYA and MOSKOVSKAYA in 13 countries: Italy, Switzerland, France, Norway, Denmark, Sweden, Spain, Portugal, the Czech Republic, Poland, the United Kingdom, Ireland and Cyprus. The dispute also revolves around the Benelux word and figurative mark SPI, both registered by Spirits.

    ​The judgment of the court

    The court has ruled that FKP owns the brands STOLICHNAYA and MOSKOVSKAYA in six of the thirteen countries, namely in the United Kingdom, Ireland, Cyprus, Sweden, Italy and the Czech Republic. Spirits is no longer allowed to use the brands in these countries. FKP's infringement claims are allowed for the United Kingdom, Ireland, Cyprus, Sweden and the Czech Republic. The situation in Italy is different than in these countries, because in Italy Spirits trades in vodka under marks that do not infringe on the Italian brands which, the court has established, are owned by FKP. In the other seven countries (Switzerland, France, Norway, Denmark, Spain, Portugal and Poland), the brands remain registered in Spirits' name. The SPI Benelux brands are declared invalid.

    Background

    Prior to the collapse of the Soviet Union, the then state-owned company VVO exploited the vodka brands STOLICHNAYA, MOSKOVSKAYA and SPI, which were registered in the name of VVO. It was long assumed that in 1991/1992 the VVO had transformed from a state-owned company to the private company VAO. In the 1990s the Russian Federation also promoted the idea that VAO, having been transformed into a private company, was the owner of the brands. Spirits ultimately bought the brands and is currently the registered trademark owner.

    In late 1999, the Russian Federation took the standpoint that VVO was still the owner of the vodka brands. In 2017 the court ruled that in 1991/1992 VVO had not been transformed in a legal manner, so that the trademark rights had not passed from VVO to VAO by operation of law. The court has now determined, based on events in the period following the years 1991/1992, whether or not the successor of VVO may still claim those rights. The court has made a decision per country, based on the national laws of the thirteen countries concerned. The basis of the FKP's claims differ per country, just like the defences put forward by Spirits. This explains the different outcomes for the thirteen countries.

  • Bemanningsleden van Greenpeace schip 'Esperanza' mogen aan wal

    Zes bemanningsleden van de 'Esperanza' die voor Greenpeace op het schip onderhoudswerkzaamheden verrichten mogen aan wal, heeft de voorzieningenrechter in Den Haag besloten.

    Inreisverbod

    Nederland had bepaald dat zij aan boord moesten blijven vanwege het algemeen inreisverbod dat geldt voor mensen buiten de EU in verband met coronamaatregelen.

    De Esperanza wordt aangemerkt als pleziervaartuig, omdat het niet in de uitoefening van beroep of bedrijf wordt gebruikt. Daarmee worden de bemanningsleden niet als zeevarenden aangemerkt die zijn uitgezonderd van het inreisverbod. 

    De rechter gaat daar niet direct in mee, omdat het een schip is van een ideële organisatie dat niet wordt gebruikt voor pleziervaart maar voor campagnedoeleinden en voor milieuonderzoek. Daarom mogen de bemanningsleden voorlopig van boord.

  • Praktische informatie over rechtszaak Amnesty International c.s. tegen Koninklijke Marechaussee

    Op dinsdag 15 juni 2021 om 09.30 uur behandelt de rechtbank Den Haag de zaak van Amnesty International,  Stichting RADAR, NJCM, Controle Alt Delete en twee individuele burgers tegen de Staat der Nederlanden (Koninklijke Marechaussee).   

    Achtergrond

    De Koninklijke Marechaussee is belast met vreemdelingentoezicht in het grensgebied ter bestrijding van illegaal verblijf en voert daarbij zogenoemde Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV)-controles uit. Eisers stellen dat bij deze MTV-controles etniciteit als onderscheidend criterium wordt gebruikt en dat dit leidt tot etnisch profileren. Dit is volgens hen in strijd met nationaal en internationaal recht dat discriminatie op grond van persoonlijke kenmerken als ras of huidskleur verbiedt. Zij vorderen een verbod om etniciteit te gebruiken bij de uitvoering van MTV-controles.

    Livestream

    De zaak kan door alle belangstellenden via een livestream worden gevolgd: https://streams.nfgd.nl/mondelinge-behandeling-zaak-amnesty-international-en-anderen-tegen-de-koninklijke-marechaussee

    ​​Informatie voor de media

    Door de coronamaatregelen is de ruimte in de zittingszaal beperkt. Voor het maken van audiovisuele opnames geldt daarom een poolregeling.

    Er kan een beperkt aantal journalisten plaatsnemen in de (video)zaal. Wij raden journalisten aan de zittingen te volgen via de livestream.

    Journalisten die toch aanwezig willen zijn kunnen zich tot uiterlijk a.s. vrijdag 11 juni 2021 12:00 uur aanmelden bij de afdeling voorlichting van de rechtbank Den Haag. Een plek in de zittingszaal kan niet worden gegarandeerd.

    Informatie voor publiek

    Overige belangstellenden kunnen de zaak volgen via de livestream.

  • Livestream kort geding Stichting Bewust Nederland tegen de Staat

    Op donderdag 10 juni 2021 om 10.00 uur behandelt de rechtbank Den Haag het kort geding van Stichting Bewust Nederland tegen de Staat. De stichting wil dat de mondkapjesverplichting wordt afgeschaft. De zitting kan door belangstellenden via een livestream worden gevolgd: https://streams.nfgd.nl/stichting-bewust-nederland-tegen-de-staat-inzake-mondkapjesverplichting

    Informatie voor de media

    Voor het maken van audiovisuele opnames geldt een poolregeling. Dat betekent dat één medium toestemming krijgt om in de zittingszaal opnames te maken. Voor het gebruik hiervan maken de overige media afspraken met dat medium.
    Er wordt één fotograaf toegelaten, die aan het begin van de zitting foto's kan maken.
    Wij raden journalisten aan de zitting te volgen via de livestream. Journalisten die toch aanwezig willen zijn kunnen zich tot aanmelden bij de afdeling voorlichting van de rechtbank Den Haag. Een plek in de zittingszaal kan niet worden gegarandeerd.

    Informatie voor publiek

    Belangstellend publiek is beperkt welkom bij zittingen in het Paleis van Justitie. Om het bezoek zo verantwoord en veilig mogelijk te maken is een maximum aantal van twee belangstellenden per zaak vastgesteld. Aanmelden kan via deze pagina.
    Overige belangstellenden kunnen de zaak volgen via de livestream.

  • Gevangenisstraffen en vrijspraak voor dodelijke steekpartij Goudriaankade

    De rechtbank Den Haag heeft vandaag twee verdachten van 20 en 21 jaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar voor hun betrokkenheid bij de dodelijke steekpartij waarbij Bilal Aydin is overleden. Drie andere verdachten zijn door de rechtbank vrijgesproken.

    Confrontatie

    Op 21 december 2019 heeft een groep jongeren een videoclip van een drillrapnummer opgenomen op het dak van de Megastores in Den Haag. De groep had meerdere messen en een machete meegenomen en getoond. Na afloop van de opname van de videoclip liep de groep jongens, waaronder de vijf verdachten, naar de tramhalte Goudriaankade. Onderweg heeft de 20-jarige verdachte het neefje van Bilal geslagen, waarna deze Bilal om hulp heeft gevraagd. Bij de tramhalte vond vervolgens een confrontatie plaats tussen Bilal en de groep jongens. Bij deze confrontatie is Bilal in zijn zij en in zijn wang gestoken, waarna hij op 20-jarige leeftijd is overleden.

    Medeplegen van doodslag en openlijk geweld

    Volgens de rechtbank heeft de 20-jarige verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag en openlijk geweld. De verdachte heeft Bilal vastgepakt en in groepsverband meegetrokken naar een geparkeerde auto naast de tramhalte, terwijl “dip hem, dip hem" werd geroepen, wat “steek hem, steek hem" betekent. De verdachte wist dat zijn eigen mes kort daarvoor was gevallen en weer was opgepakt door de 21-jarige verdachte. Ook wist hij dat er tijdens de opname van de videoclip meerdere messen aanwezig waren. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat de verdachte opzet had om samen met anderen Bilal dood te steken. Er is geen sprake van zelfverdediging. De verdachte is ook schuldig aan het mishandelen van het neefje van Bilal door hem een klap te geven.

    Ook de 21-jarige verdachte is schuldig aan het medeplegen van doodslag en openlijk geweld. De verdachte heeft tijdens de confrontatie het mes opgepakt dat was gevallen. Ook deze verdachte wist dat er meerdere messen aanwezig waren bij de opname van de videoclip en moet het “dip hem, dip hem" hebben gehoord. Deze verdachte heeft Bilal, die geen kant op kon, vervolgens met een mes in zijn zij gestoken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ook de dodelijke steekverwonding in het gezicht van Bilal heeft toegebracht. Maar door wat hij wel heeft gedaan en hoe dat is gebeurd, vindt de rechtbank bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad om samen met anderen Bilal dood te steken.

    Straf

    Bij de straf heeft de rechtbank meegenomen dat beide verdachten op geen enkel moment oog hebben gehad voor het leed van Bilal en het grote verdriet dat zijn nabestaanden is aangedaan. De verdachten hebben alleen oog gehad voor hun eigen belang en dat van hun vrienden. Ook heeft de rechtbank benadrukt hoe zorgelijk het is dat steeds meer jongeren, al dan niet beïnvloed door drillrap, messen en machetes bij zich dragen. De rechtbank heeft er verder nog rekening mee gehouden dat het om een steekpartij in het openbaar ging, waar veel omstanders ongewild toeschouwer van zijn geweest.

    Vrijspraak van openlijk geweld voor de overige drie verdachten

    Uit het dossier blijkt niet dat de andere drie verdachten een echte bijdrage hebben geleverd aan het tegen Bilal gepleegde geweld. Zij zijn dan ook vrijgesproken.

  • Bekendmaking identiteit zaaddonor mocht niet worden geweigerd

    Donorkinderen en hun moeders die procederen over de bekendmaking van de identiteit van hun zaaddonor krijgen van de rechtbank Den Haag grotendeels gelijk. Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (SDKB) en de kliniek moeten beoordelen of de redenen van de donor om anoniem te willen blijven zwaarwegend genoeg zijn. Zo niet, dan moeten zij de identiteit van de donor aan de kinderen bekendmaken. De rechtbank oordeelt dus niet dat die identiteit nu al bekend moet worden gemaakt. 

    Identiteit donor

    De kinderen zijn geboren na kunstmatige inseminaties in de jaren 1997-2000. In deze tijd vonden zaaddonaties meestal anoniem plaats. De moeders kozen echter bewust voor het zaad van een donor die met de kliniek had afgesproken dat zijn identiteit wél bekend zou mogen worden gemaakt. Hij mocht daar later alleen nog van afzien als daar zwaarwegende redenen voor zouden zijn.

    Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting

    In 2004 is de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (de Wdkb) in werking getreden.
    Uitgangspunt van deze wet is dat het niet langer mogelijk is om anoniem zaad te doneren. Vanaf hun zestiende kunnen donorkinderen via SDKB de identiteitsgegevens van de donor krijgen, behalve als er zwaarwegende belangen van de donor zijn om zijn identiteit niet prijs te geven.
    Voor donoren die zaad hadden gedoneerd vóórdat deze wet er was, zoals de donor in deze zaak, maakt de wet een uitzondering.  Zij mogen zonder opgave van reden weigeren dat hun identiteit bekend wordt gemaakt. Daarbij maakt de Wdkb geen verschil tussen donoren die anoniem hadden gedoneerd of een donor die er eerder mee heeft ingestemd dat zijn identiteit bekend zou worden.

    Verzoeken afgewezen

    De kinderen in deze zaak hebben eerst bij SDKB gevraagd om de identiteit van de donor. Zij hebben die niet ontvangen, omdat de donor aan SDKB heeft laten weten dat hij er bezwaar tegen heeft dat zijn gegevens worden verstrekt. Daarna vroegen zij de kliniek om deze gegevens, die dit verzoek ook afwees.

    Navragen en beoordelen

    De rechtbank is van oordeel dat SDKB de uitzonderingsregel in de Wdkb in dit geval niet mag toepassen, omdat dit in strijd is met het recht van de kinderen om te weten van wie zij afstammen. Dit recht is neergelegd in internationale verdragen (artikel 8 EVRM en 7 IVRK). SDKB moet in dit geval daarom de hoofdregel van de Wdkb toepassen. Dat betekent dat SDKB de identiteit van de donor aan de kinderen moet verstrekken, tenzij de donor zwaarwegende belangen heeft om anoniem te blijven. SDKB moet dit dus gaan navragen en beoordelen.
    De rechtbank oordeelt verder dat de kliniek haar afspraken met de moeders moet nakomen en daarom ook de identiteit van de donor aan de kinderen bekend moet maken, tenzij zwaarwegende redenen van de donor zich daartegen verzetten.

    Of SDKB en/of de kliniek de identiteit van de donor daadwerkelijk bekendmaken, staat hiermee nog niet vast. Dat is afhankelijk van de redenen van de donor om daarmee niet in te stemmen. Die zijn nu nog niet bekend.

  • Celstraf voor oud-officier van justitie voor betaalde seks met minderjarige

    De rechtbank Den Haag heeft vandaag een voormalig plaatsvervangend hoofdofficier van justitie veroordeeld tot vijf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het plegen van ontucht met een minderjarige jongen. Hij heeft in 2016 meerdere keren seks gehad met de jo

    ngen tegen betaling van bier, chips, sigaretten en geld. Hij heeft daarbij uitsluitend oog gehad voor zijn eigen belang en de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank neemt dit hem zeer kwalijk. Hij had gelet op zijn functie en het grote leeftijdsverschil beter moeten weten. Door zijn gedrag heeft hij ook het aanzien van het Openbaar Ministerie beschadigd.

    Geen fundamentele inbreuk op beginselen goede procesorde

    De rechtbank stelt vast dat er in deze zaak geen sprake is van een fundamentele inbreuk op de beginselen van een goede procesorde. De zaak is weliswaar in aanvang behandeld door officieren van het Amsterdamse arrondissementsparket maar dit is gebeurd onder het gezag van de Haagse parketleiding.  

     

    Strafvermindering

    De media-aandacht voor deze zaak betekent niet dat een lagere straf wordt opgelegd. De zaak heeft wel langer geduurd dan redelijk is. Om die reden wordt een celstraf van vijf in plaats van zes maanden opgelegd.

  • Royal Dutch Shell moet CO2-uitstoot terugbrengen

    De rechtbank Den Haag beveelt Royal Dutch Shell (RDS) om via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot eind 2030 terug te brengen tot netto 45% ten opzichte van het niveau van 2019.

    ​Vordering eisers

    Dit bevel is gegeven in een procedure die is aangespannen door zeven stichtingen en verenigingen en ruim 17.000 individuele eisers. Volgens eisers doet RDS als beleidsbepalend hoofd van de Shell groep onvoldoende, handelt zij onrechtmatig en moet zij meer doen om de CO2-uitstoot te verminderen. Eisers vorderden dat de CO2-emissies in 2030 ten opzichte van het niveau van 2019 moeten worden teruggebracht met 45% of anders 35% of 25%. De vorderingen gaan over de CO2-uitstoot van de Shell groep zelf en ook die van haar toeleveranciers en afnemers.

    Shell verplicht te zorgen voor CO2-reductie

    De rechtbank concludeert dat RDS verplicht is via het concernbeleid van de Shell-groep te zorgen voor CO2-reductie van de Shell-groep, haar toeleveranciers en afnemers. Dat volgt uit de voor RDS geldende ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, die de rechtbank heeft ingevuld aan de hand van de feiten, breed gedragen inzichten en internationaal aanvaarde standaarden.

    De Shell-groep is wereldwijd één van de grootste producenten en aanbieders van fossiele brandstoffen is. De CO2-uitstoot van de Shell-groep, haar toeleveranciers en afnemers is groter dan die van vele landen. Dit draagt bij aan de opwarming van de aarde, die tot gevaarlijke klimaatverandering leidt en ernstige risico's meebrengt voor mensenrechten, zoals het recht op leven en een ongestoord gezinsleven. Algemeen aanvaard is dat bedrijven mensenrechten moeten respecteren. Dat is een zelfstandige verantwoordelijkheid van bedrijven, die los staat van wat staten doen. Deze verantwoordelijkheid strekt zich ook uit over de toeleveranciers en de afnemers. RDS heeft een resultaatsverplichting ten aanzien van de CO2-uitstoot van de Shell-groep zelf. Ten aanzien van de toeleveranciers en afnemers geldt een zwaarwegende inspanningsverplichting, die inhoudt dat RDS via het concernbeleid van de Shell-groep haar invloed moet aanwenden, door bijvoorbeeld via het aankoopbeleid eisen te stellen aan toeleveranciers. RDS heeft alle vrijheid om de reductieverplichting naar eigen inzicht na te komen en het concernbeleid van de Shell-groep vorm te geven. De offers die dit vraagt, wegen op tegen het belang dat wordt gediend met het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering.

    Dreigende schending van de reductieverplichting

    De rechtbank vindt niet dat RDS deze verplichting nu al schendt, zoals eisers betogen. RDS heeft het beleid van de Shell-groep aangescherpt en is bezig dat uit te werken. Omdat het beleid niet concreet is, vele voorbehouden kent en uitgaat van het volgen van de maatschappelijke ontwikkelingen in plaats van een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen voor CO2-reductie, oordeelt de rechtbank dat sprake is van een dreigende schending van de reductieverplichting. De rechtbank beveelt RDS daarom om via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot van die groep, haar toeleveranciers en afnemers, eind 2030 terug te brengen tot netto 45% ten opzichte van het niveau van 2019.

     

     

    Bekijk hier de uitspraak.

  • Royal Dutch Shell must reduce CO2 emissions

    The Hague District Court has ordered Royal Dutch Shell (RDS) to reduce the CO2 emissions of the Shell group by net 45% in 2030, compared to 2019 levels, through the Shell group's corporate policy.

    ​Claimants' right of action

    This order has been given in proceedings initiated by seven foundations and associations as well as over 17,000 individual claimants. The claimants believe that as the policy-setting head of the Shell group, RDS takes insufficient action, acts unlawfully, and should do more to reduce CO2 emissions. In their claims they demanded that by 2030 CO2 emissions will have been reduced by 45%, or alternatively, 35% or 25%, compared to 2019 levels. The claims concern the CO2 emissions of the Shell group itself as well as those of its suppliers and customers.

    Obligation for Shell to ensure CO2 reduction

    The court has come to the conclusion that RDS is obliged to ensure through the Shell group's corporate policy that the CO2 emissions of the Shell group, its suppliers and its customers are reduced. This follows from the unwritten standard of care applicable to RDS, which the court has interpreted based on the facts, widespread consensus and internationally accepted standards.

    The Shell group is one of the world's largest producers and suppliers of fossil fuels. The CO2 emissions of the Shell group, its suppliers and customers exceed those of many countries. This contributes to global warming, which causes dangerous climate change and creates serious human rights risks, such as the right to life and the right to respect for private and family life. It is generally accepted that companies must respect human rights. This is an individual responsibility of companies, which is separate from states' actions. This responsibility also extends to suppliers and customers. RDS has an obligation of result with respect to the Shell group's CO2 emissions. As regards its suppliers and customers, RDS has a significant best-efforts obligation, which means that RDS must use its influence through the corporate policy for the Shell group, for instance by setting requirements on suppliers in its purchasing policy. RDS has complete freedom in how it meets its reduction obligation and in shaping the Shell group's corporate policy. The required sacrifices outweigh the interest served by fighting dangerous climate change.

    ​Imminent breach of the reduction obligation

    The court finds that RDS is not presently in breach of its reduction obligation, as the claimants argue. RDS has enhanced the Shell group's policy and is working it out in more detail. However, seeing as the policy is not concrete, has many caveats and is based on monitoring social developments rather than the company's own responsibility for achieving a CO2 reduction, the court finds that there is an imminent breach of the reduction obligation. Therefore, the court has ordered RDS to reduce the emissions of the Shell group, its suppliers and its customers by net 45%, as compared to 2019 levels, by the end of 2030, through the corporate policy of the Shell group.

     

    Watch the video of the verdict here (in Dutch)

  • Praktische informatie over uitspraak Milieudefensie tegen Royal Dutch Shell

    Op woensdag 26 mei 2021 om 15.00 uur doet de rechtbank Den Haag uitspraak in de bodemprocedure van Milieudefensie, Greenpeace Nederland, Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging, Landelijke Vereniging tot behoud van de Waddenzee, Stichting Both ENDS, Jongeren Milieu Actief, Stichting ActionAid en ruim 17.000 individuele eisers (hierna: Milieudefensie c.s.) tegen Royal Dutch Shell.

    ​Achtergrond

    Milieudefensie c.s. hebben Royal Dutch Shell voor de rechter gedaagd, omdat zij vinden dat Royal Dutch Shell te weinig doet aan het terugdringen van de CO2-uitstoot en het voorkomen van ernstige klimaatschade. Eisers vorderen dat de rechtbank voor recht verklaart dat Royal Dutch Shell onrechtmatig handelt en beveelt om de CO2-emissies die zij veroorzaakt en waarover zij controle heeft, te reduceren in lijn met de mondiale klimaatdoelstelling van Parijs.

    Livestream

    De uitspraak kan door alle belangstellenden via een livestream worden gevolgd: https://streams.nfgd.nl/uitspraak-in-zaak-milieudefensie-cs-tegen-shell.

    Informatie voor de media

    Door de coronamaatregelen is de ruimte in de zittingszaal beperkt. Voor het maken van audiovisuele opnames gelden daarom poolregelingen. Een poolregeling betekent dat een medium toestemming krijgt om in de zittingszaal opnames te maken. Voor het gebruik hiervan maken de overige media afspraken met dat medium.

    Er wordt één fotograaf toegelaten. Indien nodig zal ook daarvoor een poolregeling gelden.

    Er kan een beperkt aantal journalisten plaatsnemen in de (video)zaal. Wij raden journalisten aan de zittingen te volgen via de livestream.

    Journalisten die toch aanwezig willen zijn kunnen zich tot uiterlijk a.s. vrijdag 21 mei 2021 15:00 uur aanmelden bij de afdeling voorlichting van de rechtbank Den Haag. Een plek in de zittingszaal kan niet worden gegarandeerd.

    Informatie voor publiek

    Overige belangstellenden kunnen de zaak volgen via de livestream.

  • Turfmarkt Gouda mocht niet met spoedeisende bestuursdwang worden gesloopt

    Het college van burgemeester en wethouders van Gouda heeft ten onrechte besloten om de Turfmarktkerk in Gouda gedeeltelijk te slopen door het toepassen van spoedeisende bestuursdwang. Dat heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld.

    Achtergrond

    De Turfmarktkerk stond al geruime tijd leeg. In de loop der tijd heeft de gemeente diverse controles laten uitvoeren naar de bouwkundige staat van de kerk, omdat die reden gaf tot zorg. Op 24 oktober 2018 heeft het college besloten dat de kerk (onder meer) gedeeltelijk gesloopt moest worden omdat sprake was van instortingsgevaar. Deze sloopwerkzaamheden zijn vervolgens uitgevoerd. De kosten hiervan zouden worden verhaald op de eigenares. Die was het hiermee niet eens en stelde beroep in.

    Oordeel rechtbank

    De rechtbank heeft in deze zaak de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) als deskundige benoemd. De STAB kwam – anders dan de adviseurs van het college – tot de conclusie dat op 24 oktober 2018 geen direct gevaar bestond dat de Turfmarktkerk zou instorten en dat er op die datum ook geen direct gevaar voor de omgeving van het gebouw was. De rechtbank neemt deze conclusie over.

    De rechtbank benadrukt dat zij begrip heeft voor de keuze van het college om spoedeisende bestuursdwang toe te passen, omdat de rapporten waarop het college zich heeft gebaseerd de indruk wekten dat sprake was van een gevaarlijke situatie die om onmiddellijk ingrijpen vroeg. Nu de STAB echter heeft geconcludeerd dat de rapporten van het college niet kunnen worden gevolgd, oordeelt de rechtbank dat het college zijn besluit ten onrechte op die rapporten heeft gebaseerd.

    Dat betekent dat het besluit tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang wordt vernietigd. De kosten in verband met het toepassen van spoedeisende bestuursdwang kunnen daarom niet op de eigenares van de Turfmarktkerk worden verhaald.

    Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • Minister niet verplicht om verzoek tot strafoverdracht te ondersteunen

    De rechtbank in Den Haag heeft de vordering van een 76-jarige Nederlander die al 37 jaar vastzit in een Amerikaanse gevangenis en vroeg om overplaatsing naar Nederland, afgewezen. De man zit vast vanwege de (huur-)moord op zijn vrouw en stiefdochter en wil het restant van zijn straf uitzitten in Nederland. Hij meent dat hij voldoet aan de regels daarvoor en dat er, ook als hij daaraan niet voldoet, voor hem een uitzondering moet worden gemaakt. Hij is een kort geding gestart tegen de Staat omdat de minister voor Rechtsbescherming weigert om zijn verzoek tot strafoverdracht te ondersteunen. Volgens de rechter heeft de minister een grote mate van beleidsvrijheid in deze kwestie. De rechter kan alleen ingrijpen als geoordeeld wordt dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn beslissing. Dat is hier niet het geval.

    ​Uitgaan van juistheid veroordeling

    De rechter moet ervan uitgaan dat eiser in de VS terecht is veroordeeld. De vraag of eiser wel of niet schuldig is aan de moorden kan in dit geding dus geen rol spelen. De rechter wijst er daarbij op dat eiser in de VS  in een herzieningsprocedure opnieuw is veroordeeld voor de moorden en dezelfde straf heeft gekregen als in de eerste procedure die wegens fouten moest worden herzien. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er bij die nieuwe veroordeling iets mis is gegaan of dat die verband houdt met gebreken in de consulaire bijstand vanuit Nederland.

    Geen binding met Nederland

    De minister baseert zijn weigering om mee te werken aan strafoverdracht op het Beleidskader. Daarin staat dat een vereiste voor strafoverdracht is dat de veroordeelde binding met Nederland moet hebben. Eiser woonde tijdens zijn arrestatie al dertien jaar in de VS met zijn gezin en van concrete plannen om in die tijd naar Nederland te verhuizen is niet gebleken. De minister heeft volgens de rechter in redelijkheid kunnen beslissen dat eiser geen binding heeft met Nederland. Daarom is niet voldaan aan de eisen van het Beleidskader.

    Geen reden om van beleid af te wijken

    Ook als Nederland fouten zou hebben gemaakt in de consulaire bijstand (wat overigens niet vast staat) wil dat nog niet zeggen dat de Staat daarom nu moet meewerken aan strafoverdracht. De minister heeft volgens de rechter ook kunnen beslissen dat de door eiser aangevoerde humanitaire gronden niet tot die conclusie kunnen leiden.

  • Rechter stelt coronamaatregelen niet buiten werking

    De rechter heeft vandaag in een kort geding de coronamaatregelen niet buiten werking gesteld, zoals door onder meer Stichting Viruswaarheid was gevorderd. Het kort geding ging oorspronkelijk over de avondklok, maar de rechter heeft toegestaan dat de zaak, na afschaffing van de avondklok, werd uitgebreid naar alle nog bestaande maatregelen. Eisers hadden dat verzocht onder verwijzing naar de dagvaarding, waarin zij het hele wettelijke systeem al ter discussie hadden gesteld.

    De rechter verwijst naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 februari 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:285). Dat was een zaak tussen dezelfde partijen, die ging over de avondklok. Het hof heeft daarin al een oordeel gegeven over diverse argumenten, die eisers in dit kort geding opnieuw aanvoeren. De rechter ziet geen ruimte om daar nu anders over te oordelen en gaat dus niet mee in die argumentatie.

    Voldoende wettelijke basis

    Verder zijn de maatregelen nu in een ministeriële regeling opgenomen, die is gebaseerd op een hoofdstuk in de Wet publieke gezondheid. Dat hoofdstuk is van toepassing op de covid-19-epidemie. Hiermee is volgens de rechter sprake van een voldoende wettelijke basis.